Elf september

Ze sprongen uit de brandende etages naar beneden –
een, twee, nog een paar
hoger, lager.

Een foto hield ze levend tegen
en bewaart ze nu
boven de aarde naar de aarde toe.

Elk van hen is nog een geheel
met een persoonlijk gezicht
en bloed dat goed verborgen is.

Er is tijd genoeg,
voor het haar om los te waaien,
voor de sleutels en het kleingeld
om uit de zakken te vallen.

Ze zijn nog steeds in het bereik van de lucht,
binnen de kring van de plekken
die net zijn opengegaan.

Ik kan maar twee dingen voor hen doen –
die vlucht beschrijven
en geen laatste zin toevoegen.

Wistava Szymborska

Blaadjes

Ik heb een boom afgeluisterd.
En ik zweer je: daar wordt niet gefluisterd.
Die waaiende blaadjes
hebben laaiende praatjes!
Ze stribbelen tegen,
ze kibbelen en krijsen.
Ze schreeuwen de meest vervelende eisen.
Wij denken dat we vriendelijk ruisen horen,
maar intussen, intussen:
suizende oren…
Ik zweer het –
als je in de herfst de blaadjes ziet vallen,
dan was de boom ze zat.
Zo.
Vlieg maar op met z’n allen!

Edward van de Vendel

November

Het regent en het is november:
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.

En in de kamer, waar gelaten
het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.

De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.

Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan den tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.

J.C. Bloem

Tuin

ergens moet het zijn
een soort verwilderde tuin
van oude stilte

de boom voor het huis
zacht wazelt hij zijn verhaal
niemand begrijpt het

het heeft geregend
de tuin dampt goede geuren
aarde die verlangt

J.C. van Schagen

Winter

Vijf uur zaterdagmiddag.
Uit brekende wolken
ontsnapt wat licht.
Het ruikt naar voorjaar.
In de kroeg aan de overkant
gaat tegelijk met de lantarens
op volle kracht de juke-box aan:
‘For the times they are changing’
zingt Bob Dylan en ik weet
dat het winter wordt.

Hanny Michaelis

Voor mekaar

Vroeger hield ik alleen van je ogen.
Nu ook van de kraaiepootjes ernaast.
Zoals er in een oud woord als mededogen
meer gaat dan in een nieuw. Vroeger was er alleen haast.

om te hebben wat je had, elke keer weer.
Vroeger was er alleen maar nu. Nu is er ook toen.
Er is meer om van te houden.
Er zijn meer manieren om dat te doen.

Zelfs nietsdoen is er daar één van.
Gewoon bij mekaar zitten met een boek.
Of niet bij mekaar, in ’t café om de hoek.

Of mekaar een paar dagen niet zien
en mekaar missen. Maar altijd mekaar,
nu toch al bijna zeven jaar.

Herman de Coninck

Gesprek

Ze kijkt me vragend aan
je zwijgt zegt ze en waarover

inderdaad waarover zwijg ik
en ik begin te zoeken naar
een antwoord

ik kijk voorbij haar gezicht
naar de muur en van de muur
naar het raam en van het raam
naar mijn handen in mijn schoot
en weer terug naar haar gezicht

ze kijkt mij nog steeds aan
ik hoor de stilte in haar kamer

ik zou willen zeggen dat ik zwijg
over mijzelf want ik weet niet
wie dat is

Rutger Kopland

Onwetendheid

Vreemd niets te weten, nooit zeker te zijn
van wat waar is , goed of echt
maar steeds te moeten matigen: Zo lijkt het mij,
Tenminste dat vind ik,
Wie weet.

Vreemd zo onwetend over hoe de dingen werken:
hoe ze dat wat ze nodig hebben kunnen vinden,
hoe ze hun vorm en hun precieze zaaitijd weten,
bereid verandering te ondergaan.
Ja, het is vreemd

zelfs om zulk weten te bevatten – ons vlees
omvat ons immers met zijn eigen wil –
en toch ons hele leven besteden aan probeersels,
zodat als we beginnen dood te gaan
we geen idee hebben waaraan.

Judith Herzberg