Stil

Zolang vrijheid
niet vanzelf
spreekt
in een wereld
vol van haat
zolang ergens
op dit ogenblik
een oorlog
verdergaat
staan we stil
bij hen die vielen
bij het geweld
zijn we stil
voor onze kinderen
voor wie enkel
vrede telt

Tanja Helderman

Een kinderspiegel

‘Als ik oud word neem ik blonde krullen
ik neem geen spataders, geen onderkin,
en als ik rimpels krijg omdat ik vijftig ben
dan neem ik vrolijke, niet van die lange om mijn mond
alleen wat kraaiepootjes om mijn ogen.
Ik ga nooit liegen of bedriegen, waarom zou ik
en niemand gaat ooit liegen tegen mij.
Ik neem niet van die vieze vette
grijze pieken en ik ga zeker ook niet
stinken uit mijn mond.
Ik neem een hond, drie poezen en een geit
die binnen mag, dat is gezellig,
de keutels kunnen mij niet schelen.
De poezen mogen in mijn bed
de hond gaat op het kleedje.Ik neem ook hele leuke planten met veel bloemen
niet van die saaie sprieten en geen luis, of zoiets raars.
Ik neem een hele lieve man die tamelijk beroemd is
de hele dag en ook de hele nacht
blijven wij alsmaar bij elkaar.’

Judith Herzberg

Moment

Soms hoor ik onverwacht weer achter
gewone woorden die je uit
een zoveel zuiverder en zachter,
adembenemender geluid,
dat ik opnieuw naar je moet kijken
of ik je nooit tevoren zag.
Laat al die jaren maar verstrijken;
zolang ik dit bewaren mag
kan jou en mij de tijd niet deren:
weer voor het eerst met je alleen
hoor ik de harmonie der sferen
door alle alledaagsheid heen.

Jean Pierre Rawie

Dochter

zoals een dochter
is er ook een niet
en toch die donkere ogen
die mij aankijken
onuitgesproken blikken
een woordenloze mond
hartverscheurend leed
de een is verslaafd
de ander exposeert
maar allebei dochter

AF.

Het water

Dat wisten we toch allang
dat water een geheugen heeft?
Het verzamelt alle in hem weerkaatsende wolken
geen dotter of gele lis aan zijn oevers ontgaat hem
de kiel van het plezierjacht, noch de peddelpoten van de eend.

Waar voert het water indrukken heen?
(het is hem onmogelijk terug te stromen)
net als onze herinneringen zoeken zijn beelden
de laagste plek, waaieren daarna uiteen
in steeds kleinere kreken. Daar maakt het de rekening op.

Water dat uitstroomt in zee
nog even houdt het zijn stroomrichting aan
dat laat het al zijn indrukken gaan in de schoot
van zijn alwetende moeder de zee.

Bernlef

Voor later

vannacht in bed bedacht ik opeens
dat het geen zin heeft om iets te leren
te weten als je toch alles weer vergeet
wat je ooit hebt geleerd vroeger of later

voor dit inzicht moet je aftands zijn
en een notitieboekje bijhouden met
een potloodje om alles op te schrijven
voor later wanneer je het woord verliest

dan kun je lezen van dracena compacta
van monkelen van reybrouckc van prolaps
ik wil ook wel eens iets zinnigs zeggen
wanneer het bezoek komt op een goeie dag

maar slechte dagen zijn er steeds meer
daar ben ik helemaal niet rouwig om
dan kan ik hoe dan ook niet denken
of iets bedenken ’s nachts in bed opeens

this is a phase de proeftijd het stadium
voordat het grote niets begint van voor
de geboorte ook van die tijd herinner ik mij
niets is dat nu eigenlijk goed of slecht?

Ronald van Tuyl

Elf september

Ze sprongen uit de brandende etages naar beneden –
een, twee, nog een paar
hoger, lager.

Een foto hield ze levend tegen
en bewaart ze nu
boven de aarde naar de aarde toe.

Elk van hen is nog een geheel
met een persoonlijk gezicht
en bloed dat goed verborgen is.

Er is tijd genoeg,
voor het haar om los te waaien,
voor de sleutels en het kleingeld
om uit de zakken te vallen.

Ze zijn nog steeds in het bereik van de lucht,
binnen de kring van de plekken
die net zijn opengegaan.

Ik kan maar twee dingen voor hen doen –
die vlucht beschrijven
en geen laatste zin toevoegen.

Wistava Szymborska

Blaadjes

Ik heb een boom afgeluisterd.
En ik zweer je: daar wordt niet gefluisterd.
Die waaiende blaadjes
hebben laaiende praatjes!
Ze stribbelen tegen,
ze kibbelen en krijsen.
Ze schreeuwen de meest vervelende eisen.
Wij denken dat we vriendelijk ruisen horen,
maar intussen, intussen:
suizende oren…
Ik zweer het –
als je in de herfst de blaadjes ziet vallen,
dan was de boom ze zat.
Zo.
Vlieg maar op met z’n allen!

Edward van de Vendel

November

Het regent en het is november:
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.

En in de kamer, waar gelaten
het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.

De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.

Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan den tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.

J.C. Bloem

Tuin

ergens moet het zijn
een soort verwilderde tuin
van oude stilte

de boom voor het huis
zacht wazelt hij zijn verhaal
niemand begrijpt het

het heeft geregend
de tuin dampt goede geuren
aarde die verlangt

J.C. van Schagen